De Kamers

Lucas de Waard, schrijver (en MEST-columnist) presenteert volgende week woensdag (25 maart) zijn debuutroman in de Verkadefabriek in Den Bosch. Eerder publiceerden we in de papieren MEST twee hoofdstukken uit het debuut, De Kamers. Gemist en toch nieuwsgierig? Bij deze de voorpublicatie nog een keer online. 

Proloog

‘Dus het klopt.’
‘Wat?’
‘Ik kon je horen. Jou. Wat je dacht. Wie je echt bent.’
‘Blijkbaar.’
‘En nu ben je hier.’
‘Ja.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik nergens anders heen kon, denk ik. Ik ging dood.’

Het is slecht verlicht in zijn hoofd. Het gonst er, het zoemt en gedachten vallen elkaar aan, terwijl hij het tuinhekje opent en het grindpad op loopt. Hij steekt de sleutel in het slot van de voordeur maar draait niet. Hij blijft staan, met tussen zijn wijsvinger en duim het warme metaal geklemd, en hij wacht. Naast hem, tegen de muur, ligt een vuilniszak. Die ligt er al een tijdje. Hij ruikt een zurige lucht en hoort vliegen die hij niet ziet. Het huis lijkt te ademen. Misschien moet hij niet naar binnen gaan. Hij woont hier niet. Als hij naar binnen gaat is het voor alles te laat. Dan gaan ze kapot, allebei. Maar is hij niet al kapot? Maakt het nog uit? Krijg de tering maar. Hij draait de sleutel en opent de deur. In de gang is het warm en klam, alsof hij een vlindertuin binnen stapt. Hij laat de voordeur open. Iedereen mag weten dat hij hier is. Ze komen hem maar halen. Dan zullen ze merken dat hij nog een aantal rekeningen heeft open staan.
In de woonkamer kijkt hij om zich heen. Tot zijn ergernis merkt hij dat hij het een prettig huis vindt. Lichte muren, lichte vloeren, donkere meubels. Veel foto’s aan de muur. Veel boeken. Buiten gaat de zon onder. Ze werpt rode stralen licht door het vertrek waar kleine stofdeeltjes doorheen dansen. Het is doodstil. Over een tijdje zullen er weer krekels zijn, overal, maar nu is er niks. Hij loopt naar de keuken en opent de koelkast. Hij heeft honger, misschien kan hij even snel iets eten. Hij ziet pakjes broodbeleg, een plastic schaal gehakt, twee flessen champagne, een doosje aardbeien en een bord met kaasblokjes onder aluminiumfolie. Na een minuutje besluiteloos staren pakt hij de kaasblokjes. Hij zet het bord op het aanrecht, haalt het folie eraf, propt het op tot een balletje en begint de blokjes in zijn mond te stoppen. Zijn lijf reageert als zo’n zaklampje waar je in moet knijpen om licht te krijgen. Een knijpkat heet dat, herinnert hij zich terwijl hij kaas schrokt. Binnen een paar minuten heeft hij heel het bord leeg. Hij zet het in de gootsteen en laat er water overheen stromen. Het is lang geleden dat hij in een echte keuken was. Het is een aangename plek om te zijn. Achteloos pakt hij een mes uit het keukenblok. Het handvat is van hetzelfde roestvrije staal als het lemmet en koel. Hij rilt, terwijl buiten de zon verdwijnt. Achter in zijn hoofd wordt er gepraat. Een stem die hij herkent, maar die er niet kan zijn. Een stem die hij niet meer zou moeten kunnen horen. Ik ben hier. Het moet een vergissing zijn. Hij is in de war. Dat moet hij niet vergeten. Er is veel gebeurd, deze dag, en de dingen liggen momenteel nogal in splinters. Daar kun je best een beetje van uit evenwicht raken. En alsof hij ook fysiek zijn balans kwijt is, gaat hij op de bank zitten. De kussens zijn zacht en dik, hij zakt erin weg zoals hij al jaren niet meer is weggezakt. Even glimlacht hij, en hij vraagt zich af of dit ook zijn leven had kunnen zijn. Een huis, met goede meubelen, dubbele beglazing en een open keuken. Was dat mogelijk geweest? Of heeft hij altijd een onoverbrugbare achterstand gehad? Bestaat er zoiets als vervloekt zijn? Aangeschoven bij een spel en alleen maar kutkaarten bedeeld krijgen? Hij sluit zijn ogen zonder in slaap te vallen.

Een half uur later opent hij ze weer. Hij hoort het grind in de voortuin knisperen. Aarzelende voetstappen richting de voordeur. Het is zover. Hij kijkt naar zijn schoot waarin het mes ligt. Het is een groot mes, eentje waarmee je gebraden lam in plakken snijdt. Heeft hij dat zojuist gepakt? Dat was hij alweer vergeten. Hij vraagt zich af wat hij ermee van plan is. En terwijl er voetstappen in de gang klinken, onzeker rubber op hout, omklemt hij het handvat. Het is zover. Wat ‘het’ dan ook moge zijn.

Fragment 2

Een onbestemd piepje, een knarsje, een tikje; sinds een aantal weken schrok Aram van kleine geluiden. Zodra hij niet meteen wist waar het vandaan kwam kreeg hij de zenuwen. Het leek alsof zijn zintuiglijke waarneming intenser was geworden. Soms zat hij op een stoel in de kamer en voelde hij zich een wolf in het bos. Alles horend, alles ruikend, plaatsend, zijn omgeving en eventueel gevaar in kaart brengend door doodstil te blijven zitten en te registreren. Zo kon hij het tegenwoordig horen als de postbode zijn eerste stap op het tuinpad zette. Als dat later in de ochtend was, en Aram dus niet meer in bed lag, dan liep hij meteen naar de deur om de brieven persoonlijk in ontvangst te nemen. Hij wilde de bezorger in de ogen kunnen kijken. Alsof hij uit de blik van de man kon aflezen of hij wel daadwerkelijk voor POSTNL werkte. Hij wilde weten wat er door zijn brievenbus gegooid werd. De pakketjes en enveloppen betasten, besnuffelen. Na twee listig verpakte muizenvallen had hij geleerd niet zomaar alles open te maken. En na drie keer verse stront en een keer een dode rat had hij geleerd altijd alert te zijn op het geknisper van grint. Niemand liep meer ongemerkt hun tuinpad op. 
Vandaag was de postbode laat. Aram hoorde hem met het tuinhekje kloten, langer dan gebruikelijk, en was dus op zijn hoede. Misschien was het een nieuwe. De vaste postbode wist precies hoe het slotje werkte. Even optillen en dan naar achteren wippen. Misschien had hij een kater. Maar het kon ook iemand anders zijn. Iemand die niets met de pesterijen te maken had. Hij deed de deur open. 
‘Hallo’, zei een donkere jongen in oranje jack zonder hem aan te kijken. Hij hield een stapeltje brieven voor zich uit. Aram nam ze aan. Hij produceerde een binnensmonds dankjewel tegen de rug van de bezorger, die met straffe pas terugliep naar zijn fiets, en sloot de deur. Een nieuwe. Het was een nieuwe. Niets aan de hand. Hij bekeek de enveloppen in zijn hand, constateerde twee rekeningen en een kortingsbon voor falafel, legde de post op de trap en liep terug naar de woonkamer. Daar ging hij op een stoel zitten. Hij dronk meer koffie.

‘In de studio hebben wij Aram de Smet, voormalig rijzende ster van de lokale omroep en begenadigd interviewer, die tegenwoordig de hele dag thuis op zijn luie reet zit. Welkom Aram!’, zei Aram tegen de beslagen badkamerspiegel. Hij veegde de aanslag weg en zijn vermoeide kop kwam tevoorschijn. 
‘Hallo!’ 
‘Fijn om je in de studio te hebben. Er kon namelijk niemand anders!’
‘Nou, dan boffen jullie. Ik kan tegenwoordig altijd!’ 
Het publiek applaudisseerde en de drummer van de band deed een komisch roffeltje plus bekkenslag. 
‘Aram de Smet, dames en heren,’ ging Aram de interviewer verder, ‘was nog niet zo lang geleden een gevatte kerel met creatieve itempjes voor Omroep DB7! Een vlotte vent met oog voor detail. Ik keek persoonlijk erg tegen hem op.’ 
‘Dank je, Aram.’ 
‘Maar Aram, op een zekere dag werd je van lokale held in ŽŽn klap de meest gehate man van Nederland, nietwaar? Een ster!’ 
‘Dat klopt, jazeker!’ 
En hoe gebeurde dat zo ineens?’ 
‘Wel, dat was eigenlijk heel simpel! Ik hoefde alleen maar het achtjarige keeperstalentje van onze plaatselijke voetbalclub in een goal te zetten, een penalty te nemen – leuk voor bij het interview – en vervolgens die bal keihard tegen zijn koppie te schieten! Per ongeluk natuurlijk, maar wat gaf dat? De schedelbasisfractuur en de sociale media deden de rest!’ 
Applaus en wederom een roffel van de drummer. Het publiek joelde opgetogen. 
‘Nou, dat klinkt inderdaad als een peulenschilletje, Aram! Te makkelijk, haast! Je zou bijna denken dat jij zelf dat materiaal op internet hebt gegooid!’ 
‘Ja, dat zou je denken, maar iemand met een smartphone was me voor! Die zou ik graag nog eens bedanken.’ 
‘We hebben geprobeerd hem in de studio te krijgen, maar helaas…’, zei Aram de interviewer, ‘Goed, laten we het filmpje nog eens bekijken, want wij krijgen er ook nog altijd geen genoeg van!’ 
Korrelige beelden. Mist boven een grasveld. Aram die aanlegt, iets roept in de trant van ‘Toekomstige keeper van het Nederlands elftal!’, een aanloop neemt en schiet. En dan het jongetje dat ter aarde stort. Het publiek schatert en klapt. 
‘Dank je voor dit moment, Aram!’ 
‘Geen probleem! Het was me een genoegen. En nu ga ik hardlopen.’

Aram ging niet hardlopen. Hij haalde een scheermes over zijn gezicht en kamde met een klodder gel zijn donkere haar strak naar achteren. Dat deed hij sinds een aantal maanden. Niet mooi, wel makkelijk. Hij trok een spijkerbroek en houthakkersblouse aan en besloot in de stad te ontbijten. Aan de rand van het centrum zat een goede broodjeszaak met lekkere koffie, waar bijna alleen maar bejaarden kwamen en niemand hem herkende. Ze hadden er zo’n beetje alle kranten die er toe deden en geen WiFi. Dat was een voordeel. Aram werd zenuwachtig van internet. Hij meende soms de aanwezigheid ervan te kunnen voelen, als iets dat in dikke stroperige banen door de lucht stroomde. Het was een gonzend, onzichtbaar organisme, vergeven van mensen met meningen, woede en wraakzucht. En hij wilde er zo ver mogelijk uit de buurt blijven. Dat was ooit anders geweest, zoals zoveel dingen.  
Hij ging de deur uit. Stond even stil bij de garage, liet zijn blik heen en weer gaan tussen de grijze Honda en zijn afgetrapte mountainbike. Het zou lekker weer worden.
‘Je moet meer fietsen’, zei Liz met regelmaat. 
‘Je moet zelf meer fietsen met je dikke reet’, antwoordde Aram dan, wat vrij gemakkelijk kon omdat Liz verdomd goed wist dat ze de billen van een bikinimodel had. 
Een kwartier later parkeerde Aram de Honda aan de rand van de stad, langs de gracht, waar hij voor een paar euro de hele middag mocht staan. Hij viste zijn zonnebril uit het dashboardkastje en zette hem op.

Ik ben een man met een zonnebril.

Hij stak een sigaret op en wandelde het centrum in. Het was negen uur en de winkels gingen open. Jonge kledingverkopers met versufte gezichten gooiden de deuren van het slot en rolluiken schoven traag en ratelend omhoog. Het zou een volstrekt normale, warme dinsdag worden. Dinsdag, dacht Aram, de vegaburger onder de dagen. Begint en eindigt in het niets. Hij stond even stil en bekeek zichzelf in een winkelruit.

Ik ben een man met een zonnebril. Ik zie er niet uit.

Lucas de Waard 

(Den Bosch, 1984) volgde de schrijversopleiding aan de HKU, schrijft teksten voor theater, proza, columns en korte verhalen. Hij verzorgt een maandelijkse column bij het Brabants Dagblad-cafŽ in de Verkadefabriek, is columnist voor MEST en treedt op met ‘De Waard en zijn gasten’.

Samen met onder anderen Hanneke Hendrix maakt hij deel uit van De zuiderlingen, een groep van vier toneelschrijvers. Lucas speelt drums in de band Mores. De kamers is zijn romandebuut. Lucas houdt van het grote gebaar, van kleinmenselijke lulligheid, van sterfscnes en van volslagen kul.

De Kamers van Lucas de Waard zal eind maart 2015 verschijnen. Benieuwd? Hou dan de website van uitgeverij De Geus in de gaten!

Geen reacties

Geef een reactie