De verlichting komt uit Brabant

Afgelopen week publiceerde Joost Heijthuijsen op CultureelPersbureau.nl tien stellingen tegen het uitgebreid besproken opiniestuk van Melle Daamen over de kunst in Nederland. Het is heel goed dat dit stuk in Nederland gelezen wordt. En we vinden het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen dit stuk lezen, ook in Brabant. Daarom plaatsen we het artikel ook op Mestmag.nl.

Geschreven door Joost Heijthuijsen met medewerking van Michelle Vleugels. 

Onlangs schreef de Amsterdamse schouwburgdirecteur en Raad voor Cultuur-lid Melle Daamen een opiniestuk over de kunsten. Op persoonlijke titel. Daarin gaat hij voorbij aan de realiteit die in de rest van Nederland geldt. Van cultuur als collectief goed. Van de regio als culturele en economische motor van Nederland. En van de effecten van cultuur op het Nederland dat niet aan een gracht ligt.

Een schouwburgdirecteur en lid van de Raad van Cultuur die een stuk op persoonlijke titel schrijft: daar moet je in de provincie niet mee aankomen. Cultureel leiderschap wordt bij ons breed opgevat want cultuur, en een visie op cultuur, hangt altijd samen met de sociale structuren die de cultuur voortbrengen. Daar mag je je ogen niet voor sluiten.

Daar waar Amsterdammers vooral klagen over de toeristen, worden die in onze regio nog Žcht, op zijn Brabants, ontvangen.

1: Cultuur is een collectief goed

Daamen breekt de essentie van cultuur af. Want cultuur is een collectief goed. Het is voor alle Nederlanders, van Vlieland tot Vaals. Zou het denkbaar zijn dat een Amsterdamse politiechef, of een Amsterdamse ziekenhuisbaas verklaart dat veiligheid of zorg vooral iets voor de Randstad zijn? En dat Tukkers maar moeten reizen voor hun proces verbaal of heupoperatie? Dat zou het collectieve goed afbreken en het tot iets maken voor de happy few. Wat het maatschappelijke draagvlak afbreekt.

2: Cultuur is geen trechter, maar een netwerk

Daamens punten: hij wil een inhoudelijke discussie over cultuur, maar maakt zich in zijn opstelling al schuldig aan het formalisme dat exemplarisch is voor zijn opvattingen. Hij denkt in piramides en trechters, terwijl cultuur, vooral in tijden van Facebook, een netwerk is. Hij wil spreiding heroverwegen, focussen op instellingen uit de Randstad, terwijl kunstenaars al jaren lang massaal Amsterdam verlaten. Hij wil denken als een multinational en denkt daarbij nog steeds in termen van rotsen als Sanoma, RTL en de Persgroep, en niet volgens de netwerklogica van YouTube of de disruptieve durf van Uber.

3: Talent wordt ŽŽn keer gevormd

En hij wil innoveren. Maar innovatie is vooruitgang zonder maatschappelijke visie: het is verlichting zien als een technologisch gegeven, voorbijgaand aan sociale innovaties die leiden tot andere kunst. Talentontwikkeling is iets dat wat Daamen betreft het hele leven kan doorgaan. Talent is echter iets dat wordt gevormd in cruciale jaren, wat gewoon een biologisch principe is. Als Ajax volgens Daamen’s opvatting zou gaan scouten, dan wordt PSV elk jaar kampioen.

Nobelprijswinnaars komen niet uit wereldsteden, maar uit de periferie.

4: In de regio bestaat echt cultuurtoerisme

Toeristen die naar Amsterdam gaan hebben het nooit over de schouwburg of de concertpodia die mainstream artiesten programmeren. Ze komen voor Van Gogh, het Rijksmuseum en de hippie-illusie uit de jaren zestig. In jonge steden als Tilburg en Eindhoven is het net andersom. Onze ervaring leert dat toeristen juist komen voor een Design Week, voor een Incubate. Voor een levendige cultuur, die zijn weerslag heeft op de stad. Wanneer komen onze steden positief in het nieuws? Via cultuur. Wij dragen bij aan de plaatselijke en regionale sociale cohesie, het landelijke profiel en de trots van de inwoners. Daar waar Amsterdammers vooral klagen over de toeristen, worden die in onze regio nog Žcht, op zijn Brabants, ontvangen.

5: Fundamenteel nieuwe dingen gebeuren altijd aan de rand

De door Daamen aangehaalde Johan Simons ontwikkelde zich in de klei en niet op het Leidscheplein tot de belangrijkste theatermaker van Nederland en kunst in Nederland is altijd de provincie geweest. Van Gogh begon in Brabant. Zijn werk wordt nu in Amsterdam tentoongesteld. Hermans schreef uit Groningen en werd in Amsterdam uitgegeven. Daniel Rosengaarde ontwikkelde zich in Eindhoven. En Afterpartees, een van de meest interessante opkomende Nederlandse popbands, komt uit Horst. Festivals gaan naar Hilvarenbeek, Vlieland en Nijmegen. Fundamenteel nieuwe ontwikkelingen gebeuren altijd aan de rand. Nobelprijswinnaars komen niet uit wereldsteden, maar uit de periferie. Want alle vernieuwing binnen de samenleving, dus ook binnen de cultuur, vindt aan de grens plaats. De grens tussen jong en oud, talent en arrivŽ, kunstenaar en publiek, stad en platteland, professional en amateur; en de grens tussen disciplines en genres, theorie en praktijk.

Wat zijn de Nederlandse kunstenaars en kunstinstellingen die er toe doen? Het Van Abbemuseum wordt gezien als het meest radicale en internationaal geori‘nteerde museum. En ook voor design moet je in Eindhoven zijn. Tilburg heeft een breed palet aan internationale festivals die allen binnen hun niche in de top opereren en hier bovengemiddeld veel buitenlandse pers en bezoekers mee trekken.

Waar Amsterdammers het hebben over wat ze gedaan hebben, daar hebben we het in Brabant over wat we gaan doen.

6: Brabant is de motor van Nederland

Daamen pleit voor kunst als civilisatie, als een set tekens dat in Amsterdam gepresenteerd wordt. Dat past uitstekend bij de randstedelijke institutionele insteek, maar gaat voorbij aan de actieve cultuuropvatting die de rest van Nederland hanteert. De provincie bruist, omdat cultuur hier gezien wordt als een actief iets dat past bij de actieve maatschappij. Brabant is letterlijk de motor van Nederland. Hier wordt gemaakt wat op de wereld verkocht wordt. Daamen vindt dat wij naar Amsterdam moeten komen, alsof Amsterdam het centrum van de wereld is. Dan moet hij eens naar de provincie komen, want de provincie is op de wereld gericht. Net zoals de wereld zich op ons richt.

7: De regio is nieuw

Waar Amsterdammers het hebben over wat ze gedaan hebben, daar hebben we het in Brabant over wat we gaan doen. Amsterdam is af, daar hoef je niks meer aan te doen en er is sowieso geen plek meer. Een museumdirecteur klaagt zelfs over de vuilniszakken op straat; hadden wij maar de luxe om over vuilniszakken op straat te klagen. Wij zijn een relatief nieuwe regio, die nog niet af is. Waar cultuur, net als in Amsterdam in de 16e eeuw, nog een grote betekenis kan hebben. Waar cultuur een levendig iets is. Massatoerisme kan een stad kapot maken; een gebrek aan toerisme kan een stad ook kapot maken.

De keuze voor de Randstad zou een bevestigende cultuur zijn. De provincie is geen keten, maar een fijnmazig netwerk. In de provincie heeft cultuur naast artistieke waarde altijd een sociale en economische waarde.

Onlangs sponsorde Philips het Rijksmuseum. Want in Brabant brandt niet alleen licht. We m‡ken licht voor de wereld. Dus ook voor De Nachtwacht.

8: De stem van het publiek is de stem van de provincie

Doordat er geen overaanbod is, is de community-aanpak in de provincie al ingebakken in de kunst. Als kunstenaar kun je niet in je eigen scene blijven hangen. Als schouwburg moet je actief op zoek naar bezoekers om die buitenlandse voorstelling te brengen, want anders komt er niemand. Kunst in de provincie is geen incrowd, maar een levendige crowd die op veel manieren (als vrijwilliger, als sponsor) bij cultuur betrokken is. De samenleving heeft haar invloed op de cultuur en de cultuur op de samenleving. Daarom is kunst JUIST in de provincie nodig.

9: We hebben verbeelding nodig

Verbeeldingskracht is nodig om Brabant, de economische motor van Nederland, gaande te houden. Verbeeldingskracht is nodig om Brabant van een industri‘le om te vormen naar een netwerksamenleving. Wij verkopen onze producten al aan de hele wereld, maar willen nog meer producten aan nog meer wereld verkopen. Cultuur is hiervoor essentieel, want hierdoor leren we andere denkwijzen en andere opvattingen te absorberen. En daar iets eigens aan toe te voegen.

10: De Verlichting komt uit Brabant

Onlangs sponsorde Philips het Rijksmuseum. Want in Brabant brandt niet alleen licht. We m‡ken licht voor de wereld. Dus ook voor De Nachtwacht.

Wat die participatiesamenleving precies is, dat is nog steeds oningevuld.

Evelien Tonkens, bekleder van voornoemde leerstoel Actief Burgerschap, heeft over deze decentralisatie en de nauw daarmee verweven participatie, al eens gezegd: ‘Alleen in de sociale sector durft men zo onbezonnen te werk te gaan. Er zegt toch ook niemand: haal de vangrails langs de snelweg maar weg, dat kunnen mensen zelf regelen en anders hebben ze pech.’

De nieuwe rol van de burger

Dus wat wordt de nieuwe rol van de burger? Moeten we gezellige doe-het-zelvers worden, die het heft in eigen hand nemen en vol burgerkracht het samenleven nieuw elan inblazen? En als we daar nou helemaal geen zin in hebben? Wanneer de langdurige zorg, de Jeugdzorg, de participatiewet allemaal bij de gemeenten over de heg zijn gegooid, en wij niet willen meedoen, gaan de gemeenten ons dan met een knuppel burgerkracht bijbrengen? Hup, het buurthuis in jij, en anders pakken we je uitkering af? Naastenliefde als plicht. Het heeft iets naars.

Ik zou terughoudendheid willen bepleiten. Inderdaad, als mensen zelf dingen gaan organiseren, laat dat dan ook gaan, laat het los. Maar gun mensen ook de vrijheid om asociaal te zijn. Pieter Winsemius, die van het WWR rapport, advissert: ‘In plaatsen waar het goed loopt, zeggen wethouders: niet helpen. Als je gaat helpen, houdt de burger op met nadenken. Dan verdringt de overheid het initiatief.

Burgers betrekken, dat doe je door in te spelen op hun behoeften en kwaliteiten. Lokale partijen doen dat. Niet voor niets doen die het steeds beter bij de gemeenteraadsverkiezingen. Ze waren de grote winnaars van de verkeizingen vorige week – we hebben het zoveel over dat roepende cafŽ gehad, dat we dat bijna zijn vergeten: drie hoeraatjes voor de lokalen: met 30 procent by far de grootsten. Dat groot worden doen ze door zich dwars door de politieke partijen heen te organiseren door goed te luisteren naar de 4 K’s: kroeg, kantine, kapper en kerk. En dat te vertalen in praktische politiek.

De lokalen weten: laat de mensen vooral doen. Faciliteer de wijkagenten, welzijnswerkers, leraren, Buurtzorg, Opvoedpoli. Dat zijn netwerken die mensen verbinden. Leg niet geforceerd van alles op. Dan wordt de maatschappij een stuk leuker.

Maar er zijn ook de zwakkeren. Mensen die de boot gaan missen. De mensen die niet kunnen meedoen. De mensen die geen netwerk hebben om op terug te vallen. Mensen met een laag inkomen, met weinig opleiding, die werkloos zijn of arbeidsongeschikt, niet kunnen lezen, het allemaal iet zo goed begrijpen, zelf niet goed begrepen worden, fysieke beperkingen hebben. Het eerder gememoreerde Sociaal Cultureel Planbureau heeft dan ook tegelijk gewaarschuwd voor te groot beleidsoptimisme over wat je kunt oplossen met zelfredzaamheid.

Ik wil eindigen met een anekdote uit de praktijk. Ik ontleen hem aan de eerder geciteerde Pieter Winsemius van de WRR. In een interview met de Volkskrant sprak Winsemius over zijn ervaringen met inspraak, ook een vorm van burgerparticipatie, een typisch Nederlandse vorm misschien.Hij zei: ‘Vraag in een zaal met honderd man: wie heeft er wel eens aan inspraak gedaan? Dan gaan zo’n vijftig, zestig handen de lucht in. Vraag je daarna: wie vond het bevredigend, dan blijven er een paar handen over.’ Winsemius was ook een keer in de Bijlmer, allochtonenland zoals u weet – en daar bleef na het stellen van de wie-vond-het-bevredigend-vraag ŽŽn hand over. Dat was de stadsdeelwethouder, die vond dat het toppie ging.

Ik dank u voor uw aandacht.

Geen reacties

Geef een reactie