Gemaakt in Brabant, wereldwijd geliefd

Sommige kunstenaars zijn lokaal nauwelijks bekend, maar internationaal gezien behoren ze tot de top. Dat is interessant. Want hoe ervaren zij dat zelf? En hoe is dat zo gekomen? Marjan Kieboom (Kunstbalie) interviewde vorig jaar Conny Groenewegen in het kader van de Dutch Design Week. In MEST #4 vond je een artikel over de Dutch Design Week. Het interview dat hierop aanhaakte, haalde het magazine destijds niet (zo veel leuks, zo weinig pagina’s) maar op mestmag.nl hebben we wel de ruimte.

Geschreven door Marjan Kieboom

Ze won in 2011 de prestigieuze Mercedes Benz Dutch Fashion Award Žn de International Fashion Incubator Award en maakt naam in Japan en New York. Conny Groenewegen put inspiratie uit de beeldende kunst, lapt vooropgezette moderegels aan haar laars en blijft haar eigen onderzoekende werkwijze trouw. Breien blijkt een spannende, eigentijdse bezigheid. ‘Uit een plat vlak tot ruimte komen is iets magisch. Ik noem het integraal ontwerpen.’

Ik ontmoet haar in het Textielmuseum in Tilburg, waar ze gewoonlijk twee tot drie keer per week te vinden is. In het Textiellab tussen de brei- en weefmachines onderzoekt Conny materialen en ontwikkelt ze haar collectie. Een T-shirt van Britse pop-art streetwear, populair in Japan, verraadt haar fascinatie voor beeldende kunst en Japan. In designkringen is ze hooggewaardeerd, maar bij het modekopend publiek nog niet bij iedereen op de radar. Ik schuif aan in haar werkruimte, benieuwd naar haar drijfveren en eigenzinnige manier van werken. 

Conny Groenewegen is bevlogen en haar werk is vernieuwend en allesomvattend. Ze focust vooral op innovatie door onderzoek en experiment en is daardoor niet met commercie of publiciteit bezig. [É] Maar ik geloof in succes op termijn van dingen die kwalitatief zo goed zijn onderbouwd.

Bewegingsvrijheid

Groenewegen maakte de overstap van mode naar beeldende kunst, niet heel voor de hand liggend binnen modekringen, maar voor haar een noodzaak. “Ik heb altijd de neiging gehad om vanuit een ander invalshoek naar mode te kijken, om te observeren vanaf de zijlijn en niet in het middelpunt van iets te staan. Anders verlies je de focus en ontwikkel je tunnelvisie, waarin je geconditioneerd raak in denken en doen. De overstap naar beeldende kunst bood me meer diepgang, meer kennis. Iets wat ik toen nog niet wist, maar nu blijkt uit mijn denk- en werkwijze. Het is een continue factor.”

Groenewegen was destijds 22 en wilde haar perspectief verbreden. “Ik zoog informatie op als een spons. Bij mode werd mijn ontwikkeling gereguleerd maar ik wilde meer weten, meer zien. Om beter grip op mode te krijgen.” In beeldende kunst vond ze de bewegingsvrijheid die ze zocht, maar dat vroeg ook meer discipline. Het was te vroeg om haar eigen weg in de mode te gaan. “Ik had destijds nog niet de brutaliteit om mijn eigenzinnigheid binnen mode vol te houden en koos daarom voor beeldende kunst.” 

Op naar Parijs

Tijdens haar afstuderen sleepte ze de beeldende kunst Drempelprijsin de wacht, een prijs voor de grootste belofte. Guus Beumer introduceerde haar bij Alexander van der Slobbe, van wie ze ontwerpopdrachten kreeg voor zijn herenlabel So by Alexander van Slobbe. Een kickstart van haar carrire. In 2004 werd ze in het kader van Lille, Cultural City of Europe door Droog Design uitgenodigd om met kantfabrieken samen te werken. Ze vertrok naar Parijs en zat dagenlang in de Francois Mitterand bibliotheek boeken door te bladeren over kant. Haar fascinatie voor kant werd aangewakkerd en een zoektocht naar expressie en abstractie kwam daar uit voort. Dat resulteerde weer in een collectie met incisies en perforaties, een collectie met als uitgangspunt constructieve, platte vlakken die volume krijgen door insneden. “Functie, vorm en esthetiek werden zo verenigd. Het is de meest eenvoudige manier om tot vorm te komen, een andere manier van ontwerpen. Het is iets magisch, ik noem het integraal ontwerpen. Decoratie is het vormprincipe en het materiaal wordt in haar volle karakter getoond. Dan heb je iets als een organisme waarbij de functies elkaar ondersteunen tot wat het is.”

Bouwen in het Textiellab

Bepalend in haar carrire was de masterclass 3D textiles door de Japanner Yoshiki Hishinuma, die werkte voor de gerenommeerde Japanse kledingontwerper Issey Miyake. Fameus om zijn toepassing van innovatieve materialen en ontwerp van technologisch vooruitstrevende kledingstukken is hij ook autoriteit op het gebied van knit&wear breien, waarbij compleet driedimensionale vormen uit de breimachine komen. “Hij is een van de weinigen in de fashion industry die maximaal gebruik maakt van technische mogelijkheden van digitale breimachines.” Groenewegen raakte gefascineerd door zijn gebreide museuminstallaties en besloot op een soortgelijke manier te experimenteren met digitaal breien. Binnen het testlab van het Textielmuseum in Tilburg ‘bouwt’ ze breisels met de lichaamsvorm als uitgangspunt. 

1 pixels = 1 steek

Een pixeltekening wordt in het breiprogramma omgezet in een stekenpatroon waarbij elke pixel een steek is die wordt gekoppeld aan garen. Tussen het eerste pixelpatroon en het finale 3D ontwerp zitten een aantal fasen waarin ze telkens van het breiproces terugkeert naar de tekentafel. “Het is een experimenteel, instinctief en procesmatig proces omdat je iets ontwikkelt en vervolgens reageert op het resultaat. Ik houd heel erg van de relatie met het lichaam. Op het moment dat iets transparantie krijgt en de huid plaatselijk zichtbaar wordt, ontstaat er een extra dimensie in het materiaal. 

Het verbaast me niet dat haar collecties succesvol zijn ontvangen in Japan en New York, maar er liggen voor haar zeker ook kansen in Nederland.

Allemaal uniek

Met haar laatste collectie sloeg ze een nieuwe richting in en begon met het combineren van wol en angora garen en een wilde zijde. Om daarmee verschillende eigenschappen in een vlak te krijgen. Een proces van kookwassen geeft het breisel een luxe uitstraling. Door het productieproces is ieder stuk uniek en ook het materiaal is bewust gekozen. “Het vilt is aan de ene kant heel traditioneel en tegelijkertijd ook heel innovatief. Ik sla een soort digitale brug tussen traditie en actualiteit.” 

Traditie en innovatie

Haar in Japan zo succesvol ontvangen Contemporary Explorer-collectie (herfst/winter 2013) is niet in Nederland getoond. Een strategische keuze omdat haar collecties in Japan het best verkopen. “Ik denk dat het te maken heeft met de Japanse cultuur die gebaseerd is op traditie gekoppeld aan innovatie. Japanners zijn absoluut meesters in het ontwikkelen van textiel en kunnen vanuit die achtergrond de ambacht die eraan ten grondslag ligt op waarde schatten. De Japanse esthetiek is gebaseerd op het principe van wabi sabi, de schoonheid van imperfectie. Daarvoor moet je rauwheid kunnen lezen en in mijn collecties is die altijd aanwezig.”

Unieke catwalkshow

Wanneer ze haar collectie wel op eigen bodem toont, kiest Groenewegen bewust een eigen setting. Geen standaard catwalkshow met spektakel, maar zonder verhaal. Juist intimiteit en inhoud. In 2010 presenteerde ze haar collectie buiten in het veld, zonder enige vorm van hi‘rarchie. Zitblokken in een grid, daartussen lopende modellen. Iedereen voorzien van headphones en buiten doodstil. “Iedereen zat op een eigen eilandje en hoorde dezelfde muziek. Er was geen verschil tussen front- en backrow. De modellen waren leidend in het totaalplaatje. Een soort horizontale presentatie waarvan ook het publiek deel uitmaakte. Compleet met zonsondergang. “Het was meer een belevenis dan een catwalkshow. Op die manier wil ik werken, intimiteit cre‘ren, dat past bij mijn werk.”

Geen reacties

Geef een reactie